De Groene Amsterdammer
29 januari 1997

Schelden is gezond

Vloeken, tieren, razen, schelden, kwetsen - het zuivert de luchtwegen van het gemoed. Vandaar dat je het in alle tijden en in alle culturen tegenkomt. Alleen niet overal in gelijke mate. Nederland, bijvoorbeeld, is onderbedeeld. En in Amerika kom je ervoor in het gevang. Weet Reinhold Aman, maker van het scheldtijdschrift Maledicta.

door Marc Schoorl

JARENLANG HEB IK ernaar gezocht. Ik vroeg er in de beste boekhandels tevergeefs naar, en zelfs in de computercatalogus van de Koninklijke Bibliotheek kon ik niets vinden. Ik probeerde de meest onmogelijke sleutelwoorden: na de voor de hand liggende Nederlandse drieletterwoorden en verwensingen volgden het Engelse shit, het Duitse ficken, het Franse cul... Het leverde niets op. Ik zocht mijn toevlucht bij het celiniaanse popo, het motherfucker van de moderne Amerikaanse jeugd. Zelfs het hijo de puta van mijn Spaanse schoonzuster haalde ik erbij. Vergeefs. Ik zag me genoodzaakt mijn zoektocht op te geven. Dat internationale tijdschrift over vloeken en schelden waar ik ooit over had gehoord, viel niet te vinden.

Maar sinds kort weet ik het. Het draagt de prachtige titel Maledicta. De ondertitel luidt: The International Journal of Verbal Aggression. Het tijdschrift was vijf jaar niet verschenen, vandaar dat mijn speurtocht vergeefs was. Het wordt door één man samengesteld, gemaakt en verspreid: de Amerikaan Reinhold Aman. Vrij Nederland publiceerde onlangs een interview met deze held van het vrije woord.

DE KUNST VAN HET VLOEKEN geniet in ons land geen hoog aanzien, zoals Komrij al eens vaststelde. Maar verbale agressie is al helemaal uit den boze. Neem de recente scheldlyriek in Feuilletons, nummer 2 van Jeroen Brouwers, gericht tegen zijn voormalige Arbeiderspers-uitgever Dietz ('Hier ligt Dietz / Hij rijmt op niets'). Een inhoud vol ernst (de literatuur is louter business geworden), maar gegoten in een gloeiend hete mal van grappen en grollen (Dietz is 'een eendagsvlieg die zijn dag niet heeft').

Het wordt doodgezwegen. De Volkskrant besprak het gewoon als een aflevering. Vrij Nederland bood Dietz gelegenheid tot een weerwoord maar die weigerde. Verder: niets. Alleen Arnold Heumakers schreef erover in de NRC. Maar dat geleerde artikel loopt uit op een lesje literatuurhistorie: 'Wie heeft gelijk? Misschien is het aardig even te luisteren naar de Franse criticus Sainte-Beuve.' Het is de dood in de pot. Wij Nederlanders houden van rust. Van alleen maar oppotten. Want zo word je rijk. Het is een kwestie van sparen en gespaard blijven. Business as usual. But business indeed.

Onze samenleving vormt één grote Bond tegen het Vloeken. Wie wel eens de laatste trein heeft gemist op station Haarlem, waar een aantal van die papegaaiborden ('Vloekers zijn napraters') hangt, begrijpt mijn ergenis. Heb je zo ongeveer met je tong op het perron de trein net voor je zien wegglijden, hangt daar zo'n ethisch Van der Valk-bord boven je hoofd. De vliegende-teringwoede krijg je ervan. O, die godverdommese paternalistische droogklootviolen die kennelijk nooit de behoefte voelen 'de ondergrondse rivieren van de haat' (Nescio) eens te laten kolken, nooit de aanvechting hebben de gedachtengangen van je innerlijke riool eens de vrije baan te geven, de kamers van je hart te laten tochten. Hartstocht, daar heeft men een broertje dood aan.

'Vloekers zijn napraters'. En wat mogen de niet-vloekers dan wel zijn? Stompzinnigen, onaangedane dikhuiden, schriele binnenvetters, opgezette kaketoes. Waarom zou je niet mogen vloeken? Dat je een ander niet mag vermoorden - ik betreur het, maar ik kàn er inkomen. En daarom is de vloek een zegen, een voorrecht, een deugd. Scheldwoorden zijn de vluchtheuvels voor de niet langer te onderdrukken neiging om je overvolle gemoed te luchten. Ze vormen de straatgoot voor de hoge nood. Het zijn de krullen van onze taal. De dankbare dienstboden van je laagste aandriften.

In Nederland is schelden een vaardigheid die vooral in laag Den Haag in ere wordt gehouden; de gutterale klanken van het Haags grommen immers lekker. Menig cabaretier dankt er zijn succes aan. En nu we het toch over Haagse dingen hebben: schelden is een vorm van democratie. De vorm bij uitstek zelfs, want de vloek is de stem van het volk. Schelden is je stem verheffen. Iedereen doet het, werkelijk iedereen - behalve de betaalde democraten in datzelfde Den Haag. Ach, de taal van de politiek... Politiek correct taalgebruik is je stem omfloersen, indikken, bezwachtelen met watten, is niet zeggen wat je wilt zeggen, wat je eigenlijk móet zeggen. Is, kortom, leugen. We weten het allemaal. Politiek is de vloek die op de taal rust. Laat ons daarom schelden.

MALEDICTA, het is meteen mijn lijfblad geworden. Het heeft voor elke bui een remedie. Want de verbale agressie kent vele sluipwegen. Er wordt niet alléén maar in gescholden. Nee, er wordt bijvoorbeeld ook in gesnauwd en gegrauwd. Zo bevat nummer 11 een prachtig artikel over de techniek van het afbekken die Amerikaanse cabaretiers (stand-up comedians) toepassen om grappenmakers in het publiek onmiddellijk en afdoend de mond te snoeren. Dat kan heel beleefd ('Shut yer fucking face! Unless you have something intelligent to say'), maar meer kans van slagen bieden de brutalere methoden. Bijvoorbeeld door de persoon in kwestie op subtiele wijze voor klootzak uit te maken ('If I wanted to hear from an asshole I would have farted'), te suggereren dat hij onder invloed verkeert ('Here's an alcoholic who doesn't want to remain anonymous'), dat hij een dwaas is ('I'm paid to act like a fool, what's your excuse?') of lelijk ('You're the only case where the baby died and the afterbirth lived'). Een seksuele toespeling wil ook nog wel eens helpen: 'I don't have a lot of time for this, so let's get it over quickly... You're ugly, your dick is small and everybody sucks your mother.' En anders wel een regelrechte belediging aan het adres van de ouders: 'I'm glad you came. Too bad your father did.'

Ook voor zoiets lyrisch als coprolalia, het onwillekeurig uitslaan van vuile taal, wordt ruimte vrijgemaakt. Daar lezen we een brief van Mozart aan een vrouw waarin hij moderne Wiener gatmuzikanten als Bernhard, Goetz en Schwab naar de kroon steekt ('Dreck! - dreck! - o dreck! - o süsses wort! - dreck! - schmeck! - auch schön! - dreck, schmeck! - dreck! - leck - o charmante! - dreck, leck! - das freüet mich! - dreck, schmeck und leck! - schmeck dreck, und leck dreck!'). Elders wordt het misverstand dat JFK zei dat hij een Berliner bol is, zoals bijvoorbeeld The New York Times nog in 1988 vermeldde, uit de wereld geholpen.

In Maledicta kunnen we lezen dat in Afrika, behalve vele dieren, de obscene taal bedreigd wordt in haar voortbestaan, wat zonde zou zijn van een Yoruba-wijsheid als: 'De anus zegt: als ik had geweten dat de vagina zo veel bezoekers zou krijgen, dan zou ik haar buurman niet zijn geworden.' Of de agressievere Igbo-variant: 'De anus waarschuwt de vagina dat hij op een dag excrementen zal smeren op haar bezoekers, die talrijker en talrijker worden.' Maar ook dat beledigen in Papoea Nieuw-Guinea nog immer een wijd verspreide, serieuze aangelegenheid is. Een slappe lul wordt daar toegevoegd: 'Kok bilong yu i malumalu!' En 'laplap' is een alledaagse hoer, en een 'waialus' een gek.

De schone letteren zijn van alle tijden en alle culturen.

STOF GENOEG DUS, verzekert Aman ons, voor nog járen Maledicta. Hij krijgt dan ook uit alle delen van de wereld artikelen toegezonden. En allemaal 'wetenschappelijk verantwoord'! Want de meeste bijdragen zijn van taalkundigen, psychologen, sociologen enzovoorts. Zo herformuleert dr. William Whallon, docent klassieke en middeleeuwse literatuur in Michigan, in het jongste nummer van Maledicta (XII, 1996) de argumenten die hij in Neuphilologische Mitteilungen, jaargang 1987, aanvoerde voor de Indo-Europese etymologieën van 'fuck' en 'cunt'. Terwijl elders in dat nummer James M. Ogier, Germaans filoloog in Pennsylvania, de verwantschap tussen het Engelse 'fuck', het Duitse 'ficken' en het Latijnse 'futuere' bestrijdt. Vieze woorden voor gevorderden. Maar geen onzin. Wetenschap begint bij nieuwsgierigheid, en hebben we in onze jeugd niet allemaal de 'vieze woorden' opgezocht in het woordenboek?

Nederland is in dit nummer trouwens vertegenwoordigd door George van Driem, die in Leiden leiding geeft aan het internationale Himalaya Language Project. Zijn artikel gaat over de manier waarop de sprekers van het Birmees inhoud geven aan het begrip homoseksualiteit. Ze moeten het namelijk zonder dat woord zelf doen.

Maar het zijn niet alleen wetenschappers die bijdragen leveren. Nummer XII bevat ook een artikel over de taal van de pizzalijn. Van een vrouw, Gwenn Foss, die jarenlang pizzakoerier was. Het langste artikel is van wederom een Nederlander. Achter het pseudoniem Henk Salleveldt gaat een gepensioneerd legerofficier schuil die gedurende dertig jaar de taalcuriosa van Jan, Johann, John en Jean Soldaat verzameld heeft. In het onderhavige artikel bespreekt hij de 'Dutch Soldiers' Latrinalia'. Het komt erop neer dat hij jarenlang een notitieboekje meenam wanneer hij op de legerplaats in Ede naar de pot ging. Zijn verzameling is rijk, hilarisch en zeer leerzaam. De afdeling scatologie is uiteraard flink vertegenwoordigd: 'Het is raar, maar het kan niet missen / Als je moet schijten, moet je ook pissen.' Alsmede de relevante hygiëne: 'We vegen met plezier / Met onze vingers door 't papier.' Maar ook het voorstadium van de drol, de schaft, is vertegenwoordigd, getuige de gastronomische onthulling: 'Gebakken kut met sambal oelek / Lekker heet!' En dan is daar de seksuele tip: 'Een mespuntje Omo tussen penis en pruim / Verhoogt het genot en vermeerdert het schuim.' (Deze dateert uit 1970; anno 1997 zou hij waarschuwend moeten luiden: 'Omo Power tussen penis en pruim / Vergruist haar grot en maakt je pik tot kruim.') Uiteraard ontbreken de limericks niet. En ook aan zelfkennis geen gebrek bij Henk Salleveldt: 'Het leger is net een kut / Elke lul past erin.' Verheugend is zijn conclusie dat de meeste latrinalia (negentig procent) in het Nederlands gesteld is (in zijn artikel wordt de Engelse vertaling erbij geleverd, en niet omgekeerd - hulde!). Opvallend, ten slotte, is zijn constatering dat op de pleedeuren de blasfemie ten enen male ontbreekt, terwijl de spreektaal van Jan Soldaat er toch niet bepaald van verschoond is. Het gaat trouwens ook op voor cafélatrinalia. Wie en wat er ook wordt neergehaald in de kleinste kamer, niet God en de Zijnen. (Zelf heb ik in een dronken bui wel eens in een zogenaamd filosofisch café op de pleedeur geschreven: 'De mens: zit op de pot / en denkt: ik ben god.')

WAAROM BEN IK VIJF JAAR verstoken geweest van dit prachtblad! Waarom is het vijf jaar niet verschenen?

Dat blijkt een precaire oorzaak te hebben. Enig redacteur Reinhold Aman heeft op grond van een obscure wet ruim een jaar in de bak doorgebracht. Omdat hij zich, toen hij in een scheiding lag en al zijn bezittingen dreigde kwijt te raken, laatdunkend had uitgelaten over een aantal 'juridische slijmjurken'. En omdat hij zijn vrouw bedreigd zou hebben: na zijn scheiding zond hij haar twee briefkaarten met krantenkoppen over echtelieden die elkaar hebben afgeslacht. Zwarte humor. Maar daar moet je bij de Amerikaanse justitie met haar blanco herseninhoud dus niet mee aan komen. Het woord 'bedreiging' zette het wrede tandrad van de wet in werking en Aman werd op de pijnbank gelegd. Het is, geloof ik, het understatement van de eeuw om te zeggen dat hem onrecht is aangedaan. De nasleep van de zaak kostte hem nog een paar jaar - en al zijn geld, zelfs de reeds voldane abonnementsgelden van zijn levenswerk Maledicta. In het Vrij Nederland-interview vertelt hij er uitvoerig over.

In ieder geval verscheen daardoor pas na vijf jaar een nieuw nummer. En dat nummer opent met een satire zoals in geen jaren geschreven is. Onder de titel 'J'accuse!' klaagt Aman, '('s werelds gevaarlijkste briefkaartschrijver', het Amerikaanse rechtssysteem aan. De vonken vliegen er vanaf, iedere zin staat onder hoogspanning. Hij haalt werkelijk alles uit de kast: speldeprikken en mokerslagen, moordende metaforen, vervloekingen, spotprenten, woordgrapjes, hilarische herhalingen, subtiele beledigingen, grove beledigingen - alles. En als het waar is wat hij schrijft - en hij zorgt er terdege voor dat de lezer nergens twijfel aan kàn hebben - dan is het vrije Amerika het land waar voor Amnesty een nieuwe wereld opengaat van power, corruption and lies.

Zijn pamflet is een open brief aan Janet Reno, procureur-generaal van het Amerikaanse ministerie van Justitie. De vorm waarin hij de brief gegoten heeft, is die van de ware ironie: hij schrijft de procureur dat hij, nu hij de gevangenis van binnen heeft mogen bewonderen, zijn vergissingen inziet: 'Na zo'n vijftieneneenhalve maand maximaal beveiligde cellen, zwaar bewaakte gevangenissen, gevangeniswerkkampen en een reclasseringshuis, ben ik gerehabiliteerd en een gezuiverde, de wet eerbiedigende, justitie respecterende modelburger geworden.' En in die hoedanigheid gaat hij zijn vijanden inzake de gerechtigheid te lijf. Zijn gelijk bewijzend door zijn modelburgerlijke ongelijk te tonen. En àls hij even uitschiet, haast hij zich erbij te vermelden dat hij er zo over dacht voordat hij zijn straf had uitgezeten, maar dat hij nu beter weet.

Een lyrisch voorbeeld, vrij vertaald, betreffende 'Charlie Foullips of Waukeshit', de huwelijksrechtskundige van Aman's vrouw die de 'Feds' op zijn dak stuurde. 'Mijn nog niet gerehabiliteerde brein geloofde dat hij de smerigste vervolgrat was, de kwaadaardigste rechtsbeun die Waukeshit te bieden heeft, een laag-bij-de-grondse likker van rechterskonten, een bloedzuigend stuk subhumaan vuil, een beun die schaamteloos liegt tegen rechters en collega's, en een satanische gier die misbruik maakt van nerveuze dames. In mijn pre-rehabilitatiedagen hoopte ik dat God hem zou doden na een lang en pijnlijk ziekbed, zodat hij iets van de pijn kon voelen die hij mij, mijn familie en vele anderen aandeed. Ik spoorde hem aan zelfmoord te plegen, opdat de juridische slijmjurken van Wisconsin verschoond zouden worden van hun goorste smet, maar wat had ik het mis!'

Nu ja, een uit de hand gelopen scheiding, zult u misschien denken. Maar nee, er is meer aan de hand. Want dat is slechts de aanleiding. Waar het Aman om te doen is, is gerechtigheid: 'De wereld moet weten hoe Amerika haar volk behandelt.' (Alleen is de wereld inmiddels al zo blasé en verdorven dat ons dit haast ouderwets, om niet te zeggen oubollig in de oren klinkt. Maar daar kan Aman ook niks aan doen.) Hij spreekt, schrijft hij, uit naam van duizenden naam- en stemlozen. Hij heeft zelf aan den lijve ondervonden dat het rechtssysteem in Amerika niet de uitwerking heeft die ervan verlangd mag worden. Het 'voornaamste wapen is zogenaamde criminelen te terroriseren en bedreigen met angstwekkende straffen van vijfentwintig tot honderd jaar gevangenis'. Waarbij het hele rechtssysteem er volgens hem slechts op ingesteld is mensen tegen elkaar op te zetten. En met verraders kweekt men daders. Hij houdt de rechtsdienaren dan ook 'verantwoordelijk voor de ongelooflijke ellende die (ze) bezorgen aan duizenden gedetineerde mannen, vrouwen en hun gezinnen'.

Inderdaad ongelooflijk. Maar de voorbeelden die hij geeft en de feiten die hij opsomt zijn nog ongelooflijker. Er wordt bijvoorbeeld dik verdiend op de inmates. Ze moeten, onder toezicht van een stelletje ingehuurde brutelingen die hen met van alles en nog wat dreigen, de hele dag geestdodend werk verrichten a raison van 5 dollar 25 per maand. 'Elke vorm van educatie is verboten', schrijft Aman, die zijn meer dan driehonderd celmaten (drugsverslaafden en witte-boordencriminelen, verreweg de grootste categorieën, waartoe hij zichzelf niet wil rekenen) goed bestudeerd en gesproken heeft. 'Ik zie veel goede en fatsoenlijke mensen opgesloten in dit dwaze, vieze, vervelende werkslavenkamp dat me doet denken aan de goelags van de Russen en aan de Arbeitslager van de nazi's.' Hij zag hoog opgeleide, vakbekwame mensen de vloer dweilen en vuil ophalen (een man van 82!). Met als gevolg dat hun gezinnen naar de knoppen gaan en het met de kinderen de verkeerde kant uitgaat: 'You are punishing the wrong people', schreeuwt hij in cursieve letters Janet Reno, die alleenstaand is, toe.

Aman vindt, als een van de weinig verlichte Amerikanen, dat de drugsverslaafden (onder wie een man van zeventig, roker van marihuana), en daarmee de samenleving, meer gebaat zijn met medische en psychologische hulp dan met jarenlange opsluiting in gevaarlijk overbevolkte gevangenissen. Aman vindt de opgelegde straffen in veel gevallen ook 'obsceen lang'. Het veroordeelt gevangenen tot kalmerende middelen die hen tot zombies maken. Want zo niet, dan loopt het uit op geweld. Aman was getuige van moord en doodslag en hoorde van aanranding en verkrachting binnen die gek makende vier muren. Terwijl de medische voorzieningen ook nog eens te wensen overlaten.

Het bouwen van steeds meer gevangenissen acht hij een modegril waarvan alleen projectontwikkelaars, aannemers, architecten en andere opportunisten profijt trekken. Hij erkent dat er gewelddadige figuren rondlopen die opgesloten moeten worden, desnoods voor het leven, maar voegt daaraan toe dat er veel meer ongevaarlijke mensen vast zitten. Aman pleit daarom voor een grootschalige amnestie now, zodat de veroordeelden, met bij wijze van boei een elektronisch armbandje om, thuis kunnen werken om hun slachtoffers financiële genoegdoening te geven, of in ieder geval met hun talenten de maatschappij te dienen. Het dure belastinggeld dat het gevangeniswezen kost, kan beter besteed worden, bijvoorbeeld aan boeken voor kinderen, aan bibliotheken, aan opleidingen, of aan een steuntje in de rug voor zieken en behoeftigen.

'Goede mensen langer dan zes maanden in het gevang houden is zinloos en vernietigend. De meeste niet-recidivisten zullen nooit meer een misdaad begaan nadat ze een maand in de gevangenis hebben gezeten. Of denkt u soms dat ze betere mensen zullen zijn geworden na vijf, tien of twintig jaar in die verderfelijke omgeving? (...) In naam van ons land, Ms. Reno, doe iets, nu!'

De open brief werd hem in de gevangenis afgenomen: het is er verboden te schrijven. 'Wij, mensen van de pen, zijn beslist een gevaarlijk stelletje.'

Het is zoals Canetti schreef: 'De onaangepasten zijn het zout der aarde, zijn de kleur van het leven, zijn hun ongeluk maar ons geluk.'

Reinhold Aman is zo'n onaangepast, kleurrijk, ongelukkig individu.
Maar hij is het beloofde geluk voor de naamlozen.
Hij is mijn held.

Copyright © 1997 by De Groene Amsterdammer / Marc Schoorl


Back to "News - Reviews - Interviews"